Haarglanzende föhn, grijs
De haarglanzende föhn weegt zachtjes over de bergen, haar warme adem doorborend het koude grijs van de winterlucht. De lucht is dun en helder, maar de horizon blijft bedekt door een vaag grijs wolkendek—alsof de bergen zich verbergen achter een dunne gordijn.
In de stad hangt een stilte, broken alleen door het zacht ruisen van de föhn. De bomen staan kahl, hun takken glanzend door de droge wind, alsof ze gepolijst zijn. Een oude vrouw zet haar jasje strakker, haar haar flatterend in de warme stroom. Ze kijkt naar de grijsblauwe bergen en zucht: de föhn brengt altijd een rare rust, maar ook een vage onrust, alsof de wereld even stilstaat voordat het weer verandert.
Op het plein liggen een paar bladeren, gedragen door de wind. Een jongen veegt ze weg, zijn handen rood van de kou, maar zijn gezicht warm van de föhn. De grijsheid van de dag lijkt minder dreigend nu—de warmte van de wind maakt het zachter, alsof de wereld een beetje meer kleur krijgt, zelfs als de lucht blijft grijs.
De föhn blijft waaien, haar glanzende adem kussend de bergen en de stad. Het is een moment van rust, tussen de kou en de komende lente, een moment waarop de grijsheid en de warmte samen bestaan.
Commentaar